DUITSE SPRAAKKUNST

Elementaire oefeningen

Werkwoorden - Verben
  1. Tegenwoordige tijd - Präsens
    1. Oefening 1
    2. Oefening 2
    3. Oefening 3
    4. Oefening 4
    5. Oefening 5
  2. Verleden tijd - Präteritum/Imperfekt
    1. Oefening 1
    2. Oefening 2
    3. Oefening 3
    4. Oefening 4
  3. Voltooid tegenwoordige tijd - Perfekt
    1. Oefening 1
    2. Oefening 2
    3. Oefening 3
    4. Oefening 4
  4. Hoofdtijden van de sterke en onregelmatige werkwoorden - Hauptformen der starken und unregelmäßigen Verben
    1. Oefening 1
    2. Oefening 2
    3. Oefening 3
    4. Oefening 4
    5. Oefening 5